Hoe langer ik hier rondloop, hoe meer Parijs de stad van de dood lijkt te zijn. Overal in de stad zijn begraafplaatsen, tombes en wat dies meer zij. Het Panthéon ligt vol met beroemdheden, de Dôme des Invalides herbergt maarschalk Foch en Napoleon, en tot slot is Père Lachaise een grote dode toeristische trekpleister. Echter, ook op de minder met de dood geassocieerde plekken vindt men het terug: in het Louvre en het Musée d’Orsay is vooral het werk van overledenen te aanschouwen.

De wijk Passy (Muette), mijn thuishaven in Parijs, wordt bevolkt door – zo lijkt het althans – mensen van een leeftijdsklasse die al met één been in het graf staan. Zij hebben nog geen kennis hebben gemaakt met het fenomeen rollator, maar moeten het gewoon nog stellen met de oeroude wandelstok. Gelukkig maar, want de trottoirs in deze wijk zijn belachelijk smal. Niet alle oudjes hebben een wandelstok nodig; mijn huisbaas is tachtig jaar oud, maar hij is nog wel een krasse vent.

De dood kan pas echt van nabij worden aanschouwd door een bezoek te brengen aan de Catacombes in Parijs. Ruim anderhalf kilometer lang wordt men door een deel van de ondergrondse gangen in Parijs geleid. In deze catacombes liggen de resten van tienduizenden of honderduizenden Parijzenaren opgestapeld. Netjes geordend, niet op persoon, maar op vorm en grootte. Botten bij botten, schedels bij schedels, want ruimte is schaars en daar moet efficiënt mee worden omgegaan. De hoeveelheid botten die daar ligt is imposant te noemen.

De dood is hier echter niet luguber, die is hier eerder omgeven van grandeur. Het is niet voor niets dat grootheden in Parijs begraven willen worden. Een stad die de doden zo kan vereren, weet het leven te vieren!