Totnogtoe is 2007 een superjaar.

Twee-nul-nul-zeven heeft me al vele bijzondere momenten en kansen op mogen leveren. Ten eerste ben ik feitelijk afgestudeerd, waardoor ik een diploma op zak heb. Ten tweede werd me de kans geboden af te reizen naar het mooie Malawi, om daar mooie plekken te zien en interessante mensen te spreken. Het waren maar twee weken, maar wel twee indrukwekkende. Tenslotte heb ik het geluk in een grote metropool te mogen wonen, in Parijs, één van de mooiste steden van Europa. De plekken Malawi en Parijs, die allebei een grote indruk bij mij achterlieten en -laten, doen mij denken aan alle tegenstellingen die deze twee plekken lijken op te roepen. Twee plekken, twee verschillende werelden.


In Malawi was veel armoede.
Bij mij om de hoek winkelen vrouwen bij Dolce en Gabbana en zij stappen na afloop in hun Ferrari. In Malawi was het groen. Hier is alles van steen. In Malawi waren de mensen allerhartelijkst. Hier chagrijnig. In Malawi waren er kinderen met hongerbuikjes. Hier kinderen met overgewicht. In Malawi verdiende men 600 dollar per jaar. Hier is dat een maand huur. In Malawi gebeurde alles ad hoc. Hier heet dat bureaucratie. Volgens de WHO lijst staat de gezondheidszorg van Malawi op nummer 185 (uit 190).
Frankrijk op nummer 1.

Zo is het mogelijk een ellenlange lijst te schrijven. Maar temidden van de Parijse hectiek is nog moeilijk voor te stellen hoe het daar was, op het Afrikaanse continent. Alleen foto’s lijken die herinnering nog levend te kunnen houden. Het lijkt zo makkelijk om te vergeten hoe het in de rest van de wereld is, midden in het Parijs’ stadsgedruis, waar de nabijheid van alle historische monumenten een vanzelfsprekendheid gaat lijken en waar de kans geboden wordt om aan één van de beste universiteiten van Frankrijk te mogen studeren.

Dankbaar mag ik zijn voor mijn leven zoals het is, terugdenkende aan Matias uit de gevangenis, die ik nog altijd geen brief heb gestuurd en valse hoop heb gegeven door te zeggen dat ik dat wel zou doen. Hij is nu hard aan het werk om zijn middelbare school af te maken. Om te hopen dat hij als hij vrijkomt een baan kan vinden, zodat hij voldoende verdient om te kunnen eten.

Waar houd ik mij dan eigenlijk mee bezig? Eten? Ja, ik klaag erover dat de supermarkt hier twee keer zo duur is. Maar hoef ik mij zorgen te maken dat ik een dag niet kan eten? Nee. Moet ik me druk maken om werk? Niet in die mate als Matias dat moet doen. Moet ik me drukmaken om huisvesting? Ik heb altijd wel genoeg geld om me in ieder geval ergens te vestigen. Matias moet in dat geval zijn eigen huis bouwen, als hij daarvoor al het geld heeft. Het huis is voorzien van een lemen isoleerlaag die na iedere regenbui weer een onderhoudsbeurt verdient. Als het hier lekt, schakelt mijn huisbaas een mannetje in om het te maken.

Nee, ik schaam me bijna om de dingen die tot mijn dagelijkse gedachten behoren. Kan ik wel naar dat feestje? Ik moet de volgende ochtend ook nog naar de wasserette. Kom ik nog thuis? Een taxi, tja, dat kost toch weer veel geld. Zit mijn haar goed? Stink ik niet? Ben ik wel ingeschreven voor de vakken die ik graag zou willen volgen? Bah, nee, ik wil geen college om acht uur ‘s ochtends, liefst niet tijdens het avondeten en al helemaal niet op zaterdag. Gisteren heb ik al pasta op, vandaag wil ik wel wat anders hoor. Er zit een gat in mijn sok, weg ermee. Oja, de handzeep is op. Het treinticket moet ik wel op tijd boeken, dat scheelt al gauw twintig euro. Ik hoop niet dat de tandarts een gaatje vindt.

Het lijkt allemaal erg banaal, als je je ervan vergewist dat men zich in Malawi om de primaire behoeften druk om moet maken. Is er voldoende eten? Kan het vervoer naar de dokter betaald worden?

Terugdenken aan Malawi, dat betekent Parijs waarderen. Dat betekent het bewustworden van de luxe en de kansen die geboden worden.