Begin mei heb ik een bezoek gebracht aan het prachtige land Malawi. Dit bezoek, dat ik samen met de Studentenvereniging Ontwikkelingsamenwerking Leiden (SOL) – waarvan de afkorting overigens ook zou kunnen worden geïnterpreteerd als munteenheid, Scandinavische godin, muziekterm, een dag op mars of een biermerk; dit overigens terzijde – heeft mijn blik op de wereld verruimd. Het was mijn eerste bezoek buiten de westerse wereld. Mijn ogen gingen voor het eerst open tijdens het bezoek aan het dorpje Dickisoni, niet ver van de grens met Zambia en bekend van de reportages en het boek van Dick Wittenberg.

Tijdens ons bezoek raakten we als groep in gesprek met de locals en praatten we met het dorp, à la Rich Meets Poor van nrc.next. We kregen vragen als, “Zijn er zwarten in Nederland?”, “Zijn de boeren in Nederland zwart?” en de enige vraag die de vrouwen na hard aanmoedigen wisten te verzinnen: “Weten Nederlandse vrouwen hoe ze nsima moeten maken?”. Op de markt in de stad werd je aangesproken met boss, refererende aan de vroegere koloniale verhoudingen. Een reisgenoot weet dit punt ook mooi te verwoorden aan de hand van het feit dat de Malawianen die iets met het westen hebben gedaan, dit zoveel mogelijk proberen te benadrukken in een gesprek. Daarbij vertellen ze dát ze wel in Europa zijn geweest en dát ze bekende acteurs en musici kennen, dat ze kennis hebben van en affiniteit hebben met de westerse cultuur. Persoonlijk voelde ik mij zeer onprettig in mijn rol als “bovengeschikte” blanke, een rol die mij in de schoenen werd geschoven.

Het gekke is dat ik na enige dagen de indruk kreeg dat onderscheid op huidskleur lang niet zo’n controversieel onderwerp is als in Nederland. En als dat het wel is, dan op een andere manier. Uiteraard val je als blanke op in Malawi; overal waar je gaat of staat zoemt het woord mzungu om je heen (dat betekent blanke in het chichewa, de taal van de Malawianen). Volgens mij moest het niet eens op een beledigende manier worden opgevat. Ik geloof dat het onderscheid op huidskleur veel meer een geaccepteerd cultuurfenomeen is. Je bent gewoon blanke en dan ben je dus anders dan de rest van de bevolking. Je bent rijk en komt van een superieure cultuur, of in ieder geval een cultuur voorzien van een verhaal, een geschiedenis en een identiteit.
Het grote verschil tussen blanken en zwarten werd duidelijk gemaakt door (Witte) Pater W1illem Kerkhof, die onze groep begeleidde naar het dorpje Dickisoni. Dit behoeft enige toelichting: in Dickisoni heeft de NRC journalist Dick Wittenberg een paar weken gewoond, samen met het dorp en samen met een Malawiaan, in één huis. Hij heeft geleefd zoals alle andere dorpelingen. Bij ons bezoek benadrukte de man (die met Wittenberg die bewuste weken in het huis heeft doorgebracht) maar al te vaak dat híj samen met “Dick” in het huis heeft gewoond. Pater Willem Kerkhof illustreerde aan de hand van dit voorbeeld dat het binnen het voorstellingsvermogen van de bewoners van Dickisoni gewoonweg niet mogelijk was dat dit zou gebeuren: een blanke die leeft als een zwarte. Aan de andere kant had ik mij niet voor kunnen stellen dat deze gedachte überhaupt bestond: het is toch gewoon een kwestie van doen? De zwarte dorpeling beschouwde zichzelf als ondergeschikt aan de blanke en begreep niet dat de blanke hetzelfde zou kunnen leven. Toen ik in een gesprek raakte met een docent van de dorpsschool kon hij niet geloven dat ik met een zwarte in huis woonde en dat ik zwarte achterneefjes had.

Het blijkt maar hoezeer het Britse koloniale tijdperk zijn sporen heeft achtergelaten in de cultuur van Malawi. Of dit allemáál te danken is aan het koloniale tijdperk betwijfel ik, omdat het nog altijd de blanken zijn die ontwikkelingshulp bieden. De Malawianen wachten namelijk lijdzaam voedsel- en ontwikkelingshulp af; de blanken moeten ze redden in tijden van hongersnood. Daarnaast – hoewel veel dorpelingen hiervan niet zoveel zullen weten – is het de westerse wereld, die ervoor heeft gezorgd met het stopzetten van donorgelden, dat Malawi ertoe werd gedwongen een democratie te worden en dat het land geforceerd werd/wordt verregaande liberalisering van de economie te bewerkstelligen. Pater Kerkhof benadrukte dan ook tijdens een korte preek voor het dorp dat het uiteindelijke doel van ontwikkelingssamenwerking moet zijn dat Dickisoni zichzelf kan redden en het die hulp niet eens meer nodig heeft. Zelfredzaamheid is het motto.

Hoe kunnen de Malawianen zich uit deze ondergeschikte rol ontworstelen? Menno Welling, van de stichting Mlambe benadrukte tijdens een lezing het belang van een eigen cultuur. Malawi deelt geen glorieuze vaderlandse geschiedenis, geen cultuureigen elementen, geen traditionele muziek, geen nationaal-historisch museum. Al die culturele elementen waren nog niet als zodanig benoemd, en de notie van trots voor die culturele kenmerken is dan ook alles behalve wijdverbreid in het land. Het ontbreekt de bevolking aan een trots voor hun eigen land, cultuur en taal; een fierheid op een eigen identiteit. De ironie schuilt in het feit, dat de Malawianen met de grootste hartstocht voor het land, die ik tijdens de reis ben tegengekomen, blanken en enkele hoogopgeleide zwarten zijn. Hoe dan ook, Welling probeert onder meer tradities en historische objecten op te sporen en te conserveren – of dit op zijn minst te stimuleren – en daarmee hoopt hij bij te dragen aan de conservering van de Malawiaanse cultuurhistorie (en het creëren een gevoel van eigenwaarde).
Dit issue van een gebrek aan zelfwaardering is – denk ik – niet zozeer gekoppeld aan de huidskleurkwestie, maar aan geschiedenis. In een land als Ethiopië, dat nooit gekolonialiseerd is geweest, is wel degelijk sprake een eigen identiteit en daarbij behorende trots en een gevoel van eigenwaarde. Malawi heeft nooit de kans gehad zoiets te ontwikkelen en op dit punt worden cultuur, geschiedenis en huidskleur dan ook met elkaar – hoe ironisch de woordspeling ook is – gemengd.